Menu

Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Regio: 

Sinds enkele jaren gelden nieuwe regels inzake gewasbescherming als gevolg van een Europese richtlijn over duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Zo werd de toepassing van Integrated Pest Management (IPM) verplicht. In dit artikel worden de voorwaarden voor de niet-professionele en professionele gebruikers weergegeven.

Behalve voor de land- en tuinbouwsector kwamen er ook heel wat beperkingen voor niet land- en tuinbouwactiviteiten en voor particulieren. Die moeten bijdragen aan een verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit.

Gewasbeschermingsmiddelen en water

Sinds meer dan 20 jaar beschikt de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) over een uitgebreid meetnet op de waterlopen. Behalve voor nitraat en fosfor gebeuren ook veel analyses voor actieve stoffen van gewasbeschermingsmiddelen. Bij deze vorm van verontreiniging treffen ook de andere gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen (huishoudens, bedrijven en overheden) schuld. Maar de grootste problemen duiken op bij producten die worden gebruikt in de landbouw. De sector heeft er alle belang bij om te vermijden dat gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater terechtkomen. Dit kan leiden tot strengere maatregelen met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of het verlies van de producterkenningen. De milieuschade, het negatief imago, een verhoogd aantal controles en een gevaar voor boetes en inhouding van premies en/of licenties zijn mogelijke gevolgen bij een onoordeelkundig gebruik.

In 2015 vond de VMM in meer dan 80% van de meetpunten minstens één stof waarvan de norm overschreden was. Ieder meetpunt wordt ongeveer 9 keer per jaar gecontroleerd. Vermoedelijk wordt nog een groot aandeel van de piekconcentraties gemist. Overschrijdingen van de normen voor diflufenican, demthenamid, dimethoaat, flufenacet, linuron, imidacloprid, isoproturon, metolachloor en terbutylazine in oppervlaktewater komen vaak voor.

Normen

De milieukwaliteitsnormen (MKN) voor pesticiden in oppervlaktewater zijn tweeledig: een maximale norm als toetssteen voor mogelijke acute effecten op waterorganismen en een jaargemiddelde norm die betrekking heeft op de chronische effecten. Wanneer er geen wettelijke MKN voor het jaargemiddelde of voor het maximum zijn, wordt respectievelijk aan de PNEC (Predicted No Effect Concentration) of de MAC (Maximum Acceptabel Concentration) getoetst. Deze PNEC en MAC zijn op dezelfde manier als de MKN afgeleid, namelijk op basis van toxiciteitsnormen.

Oorzaken van overschrijding van de normen

In een Europees onderzoeksproject (TOPPS) werd onderzoek gedaan naar de belangrijkste oorzaken van verontreiniging door gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater. Meer dan de helft van de vervuiling van het oppervlaktewater wordt veroorzaakt door puntvervuiling. Drift en afspoeling zijn respectievelijk voor 5 en 30% verantwoordelijk. Er moet dus ingezet worden op het vermijden van puntvervuiling, afspoeling en drift.

Puntvervuilingen ontstaat vooral bij het vullen en het reinigen van de spuitapparatuur, door morsen bij het vullen en overlopen van de spuitmachine tijdens het vullen, lekken van leidingen of doppen, lozen van spuitresten, spoel- en reinigingswater. Als resten van spuitoplossing via morsen op een verhard oppervlak terechtkomen, kunnen ze afspoelen met het (regen)water en zo in de waterloop belanden. Veel landbouwers zijn zich daar nog onvoldoende van bewust.

Bufferzones

Algemeen geldt een bufferzone van 1 meter ten opzichte van het oppervlaktewater, maar ook ten opzichte van verharde oppervlakken die gemakkelijk afstromen naar oppervlaktewater. De bufferzone, ook wel bekend als de 1 meterteeltvrije strook, wordt gemeten vanaf de bovenkant van het talud. Bij verticaal uitgevoerde bespuitingen, zoals in boomgaarden, wordt de bufferzone uitgebreid tot 3 meter. De bufferzone kan nog uitgebreid worden, afhankelijk van het toegepaste product en het al dan niet gebruiken van driftreducerende technieken.

Sinds 1 januari 2017 is het verplicht om minstens 50% driftreducerende doppen te gebruiken in het kader van IPM. Voor de keuring van het spuittoestel is de driftreducerende dop (voorlopig) nog geen verplichting. Een antidrupsysteem is wel verplicht op spuittoestellen.

De Mestbank voert sinds dit jaar controle uit op de 1 meterteeltvrije zone naast waterlopen. Deze zone is niet nieuw, maar door de nog onvoldoende kwaliteit van het oppervlaktewater, als gevolg van te hoge concentraties aan stikstof en actieve stoffen van gewasbeschermingsmiddelen, wordt er strikter gecontroleerd. Als toezichthouders vaststellen dat er zich een productieve teelt bevindt op de teeltvrije zone, kan de landbouwer verplicht worden om de teeltvrije zone aan te leggen en de teelt te verwijderen. Er kan bovendien een proces-verbaal worden opgemaakt, met een mogelijke boete tot gevolg. De teeltvrije zone zelf aanleggen kan door een spontane bedekking van grassen en kruiden die er zich ontwikkelen of door de strook in te zaaien met een niet-productieve grassoort. De teeltvrije zone hoeft niet enkele een negatieve bijklank te krijgen. Wie naast de waterloop al een grasstrook of bloemenmengsel heeft aangelegd, in uitvoering van een beheerovereenkomst randenbeheer, voldoet meteen ook aan de voorwaarden. Een landbouwer die meer dan 15 ha bouwland bezit, moet 5% van deze oppervlakte aanleggen als EAG (ecologisch aandachtsgebied). De teeltvrije strook van 1 meter komt ook in aanmerking voor EAG.

Tabel 1. Effect op de effectieve bufferzone door driftreducerende technieken bij veldspuiten (horizontale bespuiting) - Bron: Departement Landbouw & Visserij)

Driftreductieklasse Verplichting volgens etiket (meter) + eventueel reductietechniek
  2 5 10 20 20+50% 20+75% 20+90%
Klassiek 2 5 10 20 30 40 200
50% 1 2 5 10 20 30 40
75% 1 2 2 5 10 20 30
90% 1 1 1 1 5 10 20

 

 

 

 

 

 

 

Voor gewasbeschermingsmiddelen geldt een bufferzone van minimum 1 meter voor veldspuiten en 3 meter voor boomgaardspuiten ten opzichte van oppervlaktewater en verharde terreinen die afwateren naar oppervlaktewater, bijvoorbeeld verharde wegen. Afhankelijk van het gebruikte product kan dit uitgebreid worden naar 5, 10, 20 meter of meer. Ook de driftreducerende techniek heeft een invloed op de grootte van de buffer. In tabel 1 kan je zien hoe de spuitvrije bufferzone kleiner of groter wordt, naargelang de techniek. Je vindt de bufferzone op het etiket of op fytoweb onder ‘andere vermeldingen Spe3’. Voor een product met een bufferzone van 10 meter wordt de niet te bespuiten zone herleid tot 5 meter bij 50% driftreducerende doppen en tot 1 meter bij 90% driftreductie. In elk geval is de toepassing van 50% driftreducerende techniek op alle percelen verplicht, ook als deze die niet langs water liggen.

Bij het bestrijden van onkruiden in grasland of weides wordt vaak een rugsproeier gebruikt. Wanneer deze rugsproeier wordt uitgerust met een schermkap, dan verkrijgt men al 90% driftreductie. Geen overbodige luxe als je weet dat MCPA (actieve stof die onder meer in courant gebruikte gewasbeschermingsmiddelen voor grasland terug te vinden is) te vaak wordt teruggevonden in oppervlaktewater. Veehouders die in de toekomst willen blijven gebruik maken van deze producten, raadplegen best eerst het etiket en fytoweb.

Puntvervuiling te voorkomen

  • Bereken de juiste hoeveelheid om spuitoverschotten te beperken;
  • Vul het spuittoestel op een onverharde plaats of op een speciaal aangelegde vul- en spoelplaats;
  • Vermijd absoluut het overlopen van de spuittank;
  • Indien er toch gemorst wordt op een verharde ondergrond, ruim dan op met absorberend materiaal zoals zand, houtzaagsel of kattenbakvulling en geef dit mee met AgriRecover;
  • Behalve de lege verpakkingen geef je ook de doppen en verzegelingen apart mee met AgriRecover. Zorg ervoor dat de lege verpakkingen goed gespoeld en gedroogd zijn;
  • Eindig de bespuiting op een perceel waar je gemakkelijk kan spoelen. Je dient driemaal de spuitresten te verdunnen en die versneld te verspuiten op het behandelde veld. Specifieke spoeldoppen in de tank zijn hierbij een grote hulp.

Fyteauscan

Om de landbouwer zelf actief te betrekken bij een kritische analyse van zijn bedrijfsvoering is de Fyteauscan ontwikkeld. Na het beantwoorden van de vragen via de webtool krijgt je een goed zicht op het risico van puntvervuiling door gewasbeschermingsmiddelen op je erf.

Dit artikel is gebaseerd op de voordracht die Annie Demeyere bracht tijdens de studieavonden ‘Oordeelkundig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en goed graslandbeheer’ voor de rundvee- en schapenhouderij, die plaatsvonden in april. Werkten mee aan dit artikel: Andries Colman, Annie Demeyere, Ivan Ryckaert & Laurence Hubrecht.

 

Deel deze pagina: