Menu

"De landbouw is veranderd, maar de samenleving ook”

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Deze week brengen we in Boer&Tuinder een uitgebreid dossier over dierenwelzijn. Op het debat rond dierenwelzijn van ILVO en ie-net bleef vooral het betoog van Dirk Lips, voorzitter van de Raad van Dierenwelzijn, hangen.

Nele Kempeneers

 

Als er een presentatie was die bleef hangen bij veel aanwezigen op het debat rond dierenwelzijn van ILVO en ingenieursvereniging ie-net, was het wel die van de voorzitter van de Raad van Dierenwelzijn, Dirk Lips. Hij bracht een betoog voor meer bewustwording: “De consument moet begrijpen dat landbouw zich moderniseert om voedsel te kunnen blijven produceren. Tegelijk mag de landbouwer zijn ogen niet sluiten voor de veranderde maatschappij.”

“Een gesprek over dierenwelzijn is altijd moeilijk, omdat er geen unaniem aanvaarde definitie voor is”, steekt Dirk Lips, ethicus en voorzitter van de Raad voor Dierenwelzijn, van wal. Bovendien hebben consumenten en landbouwers het vandaag moeilijker om elkaar te begrijpen. Daar heeft Lips een verklaring voor.

Nuts- versus gezelschapsrelatie

“De waarde die een persoon aan een dier geeft, hangt samen met de soort relatie die hij ermee heeft. Een landbouwer heeft een nutsrelatie met zijn dieren. Hij ziet zijn dieren graag, maar hij beschouwt ze ook als nuttig voor zijn bedrijf. Een landbouwer die dieren aanhoudt die niet langer nuttig zijn, zal zijn bedrijf niet gezond kunnen houden. Je kunt dat niet oké vinden, maar dat is een andere discussie. Daarnaast is er de consument, die dieren vooral kent van een gezelschapsrelatie, bijvoorbeeld huisdieren en hobbydieren. Ook hier geldt dat de relatie in stand gehouden wordt zo lang als het gezelschap van het dier een meerwaarde biedt. Overvolle dierenasielen zijn het beste bewijs dat ook een gezelschapsrelatie niet altijd eeuwig duurt. We zien dat de nutsdieren die vroeger in elk huishouden gehouden werden voor de productie van voedsel vervangen werden door gezelschapsdieren. Landbouwers zijn er steeds minder en dat kleinere aantal boeren houdt grotere aantallen nutsdieren. Er zijn dus steeds minder mensen die een nutsrelatie hebben met een dier, terwijl meer mensen uitsluitend een gezelschapsrelatie hebben met een dier. We leven in een democratie, dus het is niet verwonderlijk dat er een kloof ontstaan is tussen die twee opvattingen.”

Tegengestelde evoluties

“Steeds meer mensen bepalen de waarde van een dier dus vanuit het oogpunt van het individuele dier: ‘Bobby gaat graag wandelen, hij eet graag deze snoepjes en houdt niet van de postbode.’ We investeren ook steeds meer in een gezelschapsdier, zowel materieel als mentaal. Dat slaat soms over in een inbreuk op het dierenwelzijn die minder aandacht krijgt. Denk maar aan hondjes in regenjasjes, die voortgeduwd worden in een kinderwagen.

Het kan soms lijken alsof de moderne veehouderij haaks staat op deze evolutie. Als veehouder werk je met gemiddelden en zorg je ervoor dat je algemene technische prestaties erop vooruitgaan. De dieren worden, mede dankzij de technische vooruitgang, ook individueel nauw opgevolgd, maar uiteindelijk gaat het om het totale productieresultaat. Het uitvallen van een individueel dier komt zo wat op de achtergrond. Dat wil niet zeggen dat de veehouders vandaag niet bezig zijn met dierenwelzijn, maar ze benaderen het op een andere, meer collectieve manier dan de eigenaar van een hond of kat. Dat resulteert in twee tegengestelde evoluties in dezelfde maatschappij en in hetzelfde tijdperk.”

Nieuwe maatschappelijke licentie

Wat moet er volgens Lips dan veranderen? “Veehouders moeten op zoek naar een nieuwe maatschappelijke licentie, naar een manier om aan de maatschappij uit te leggen waarom we dieren houden en dat we dit goed doen. Een landbouwer stelt de vraag: ‘Ben je als consument niet blij met het gezonde en goedkope voedsel dat wij produceren?’ Maar het antwoord van de maatschappij is: ‘Jawel, maar dat is nu evident. We willen minder, maar beter.’

Het klopt dat we het in België op sommige vlakken beter doen dan het gemiddelde in Europa, maar daar ligt de consument niet wakker van. Er zijn nog heel wat punten waarover we moeten durven nadenken. Welke? Eigenlijk is dat heel simpel te bepalen. Stel jezelf de vraag welke landbouwpraktijken je met plezier wilt uitleggen aan een buitenstaander – en dat heeft niets met moedig zijn te maken. Kun je trots zeggen: ‘Kijk, zo doen wij dit’? Als dat je doet twijfelen, is het misschien iets om over na te denken. De verantwoordelijkheid voor het aanpakken van zulke ‘hete hangijzers’ ligt uiteraard niet alleen bij de veehouders, maar bij de hele keten.”

Deel deze pagina: