Menu

Boerenbond legt duidelijke klemtonen voor het GLB na 2020

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Regio: 

Ter voorbereiding van het Hoofdbestuur werd de afgelopen weken in de provinciale besturen een inspraakronde georganiseerd, waar het geactualiseerde standpunt van Boerenbond over het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2020 besproken werd. Op zijn vergadering van vorige maandag heeft het Hoofdbestuur de resultaten van deze consultatie en het uitgewerkte toetsingskader met daarin elf kernpunten grondig besproken. Zo legt Boerenbond duidelijke klemtonen voor het GLB na 2020.

 

Elf kernpunten

Hieronder overlopen we het elfpuntenprogramma.

  1. De Europese Unie moet minimaal 0,40% van het bruto nationaal inkomen (BNI) blijven inzetten voor het landbouwbeleid. Een behoorlijke landbouwbegroting blijft noodzakelijk wegens de falende marktwerking in de land- en tuinbouw die leidt tot te lage en te sterk schommelende prijzen. Daarenboven laten andere Europese beleidsdomeinen zoals mededinging, handel en interne markt onvoldoende markt-corrigerende maatregelen toe. Ten slotte nemen de verwachtingen van burger en consument rond land- en tuinbouw steeds verder toe terwijl de marktprijs achterblijft. Een sterk gefinancierde eerste pijler en een flankerende tweede pijler blijven dus cruciaal. Meer doen voor minder is in elk geval onhoudbaar. Voor de Vlaamse land- en tuinbouw dreigt extra verlies door de herverdeling van middelen tussen West en Oost. Hierbij moet rekening gehouden worden met alle Europese fondsen die gericht zijn op landbouw en het platteland, niet enkel met de middelen in de eerste pijler. Cofinanciering van de rechtstreekse steun is geen optie binnen een eengemaakte markt.
  2. Het GLB moet terug een meer economisch landbouwbeleid worden en in de eerste plaats zorgen voor een verbetering en de nodige correctie van de marktwerking. Dit betekent dat er zowel werk moet gemaakt worden van het versterken van het inkomen van de boeren en het crisisbestendiger maken van de landbouwbedrijven. Boerenbond benadrukt in deze context het belang van de rechtstreekse steun als basis, aangevuld met een degelijk investerings- en bedrijfsovernamebeleid (Vlif), systemen voor risicobeer en opstartsteun voor producentenorganisaties.
  3. Het GLB moet gericht zijn op de ondersteuning van de actieve boeren. Boerenbond beklemtoont dat dit principe zowel van toepassing moet zijn voor middelen uit pijler 1 als voor de middelen uit pijler 2, absoluut bij een transfer van middelen van pijler 1 naar pijler 2.
    Initiatieven in het kader van verbreed plattelandsbeleid (met name Leader en ‘as 3’) moeten in de eerste plaats ten goede komen van de actieve en toekomstgerichte land- en tuinbouwers en een meerwaarde kunnen betekenen voor de landbouwactiviteit. Er moet bij de besteding van deze specifieke middelen ook voldoende aandacht gaan naar het beantwoorden van de sociale uitdagingen waar de landbouwbevolking voor staat.
  4. De rechtstreekse steun heeft een drieledig doel: buffer tegen volatiliteit, compensatie voor de hogere Europese normen en een vergoeding voor publieke dienstverlening vanuit landbouw. Daarom blijft deze vorm van steun ook in de toekomst noodzakelijk.
    Zoeken naar nieuwe dragers van directe ondersteuning, die de drie doelstellingen helpen invullen, en ook de grondarme sectoren mee in rekening brengen, is aangewezen maar dient geleidelijk te gebeuren in een evolutief kader met de nodige rechtszekerheid voor de begunstigden.
    Hetzelfde geldt voor de herverdeling van rechtstreekse steun tussen boeren onderling. Een vaste hectarepremie, of het nu op Vlaams of Europees niveau is, kan niet de finaliteit zijn. Er moet Europees ruimte blijven voor gepaste accenten die de grote diversiteit erkent op niveau van regio’s en sectoren.
  5. Het GLB moet zich focussen op investeringen in de landbouwsector met sterke aandacht voor jongeren en hun specifieke noden en behoeften. Ook investeringen in verdere verduurzaming en nieuwe vormen van landbouw moeten in de toekomst ondersteund worden.
    Boeren en tuinders zien modernisering, innovatie en inzet van nieuwe technologieën als prioriteit voor het investeringsbeleid naast investeringen gericht op energie en de begeleiding van herstructurering in sectoren met specifieke noden.
  6. Het GLB moet werk maken van een aangepast risicomanagement door een betaalbaar vangnet te voorzien dat snel en efficiënt crisissen kan opvangen. In elk geval pleiten we voor een aanvullend, betaalbaar, vrijwillig en flexibel systeem.
  7. Producenten moeten hun positie in de keten kunnen verstevigen door zich te organiseren in slagkrachtige PO’s of BO’s. Collectieve afzet versterkt de onderhandelingsmacht en biedt meer mogelijkheden om diverse uitdagingen aan te pakken zoals het beter op elkaar afstemmen van aanbod en vraag en dit zowel kwantitatief als kwalitatief. Wij pleiten voor de verdere versterking van het bestaande kader waarin boeren en andere ketenactoren op een evenwichtige manier kunnen werken aan een win-winpositie voor alle deelnemende partijen. Klare regels inzake uitzonderingen op de mededingingsreglementering zijn noodzakelijk. Het blijft belangrijk PO’s in opstartfase en eerste ontwikkeling te ondersteunen en ervoor te zorgen dat ze sterk staan in de keten.
  8. Land- en tuinbouw is als sector uitstekend geplaatst om bij te dragen aan de milieu en klimaatdoelstellingen. Land- en tuinbouwers zijn wel degelijk bereid om hun deel van de verantwoordelijkheid rond de milieu- en de klimaatproblematiek op te nemen, weliswaar binnen de mogelijkheden van het landbouwbeleid en voor wat hun aandeel betreft. Het GLB moet daarbij zorgen voor een flexibel, stimulerend en doelgericht kader dat aangepast is aan de landbouwrealiteit waarin de milieu-inspanningen die de actieve landbouwer doet op een faire manier gehonoreerd worden. Het principe van hogere vergoedingen voor extra inspanningen inzake duurzaamheid moet doelgericht toegepast worden. Het inkantelen van de huidige vergroeningsmaatregelen in de randvoorwaarden gaat in tegen deze aanpak, want het creëert net een situatie van meer inspanningen voor minder vergoeding. Boeren en tuinders zien bodemvruchtbaarheid, water, gewasbescherming en dierenwelzijn als prioritaire thema’s in het kader van de verdere verduurzaming. Naast de bestaande randvoorwaarden kan de nieuwe ‘groene architectuur’ rond deze prioritaire maatregelen op een aan de Vlaamse land- en tuinbouw aangepaste manier uitgewerkt worden. Dit kan door het uitwerken van een combinatie van breed op te nemen maatregelen met een lage instapdrempel binnen de eerste pijler en vrijwillige maatregelen met een stimulerende vergoeding die verder gaan binnen de tweede pijler. We werken richting de discussie over Vlaamse implementatie voor deze prioritaire thema’s concrete voorstellen uit die passen binnen de nieuwe groene architectuur en de Vlaamse bedrijfscontext. Daarnaast kan vrijwillige samenwerking tussen land- en tuinbouwers de effectiviteit en efficiëntie van vergroeningsinspanningen versterken.
  9. Er is ook een duidelijke vraag naar een bijsturing van de sanctionering als klemtoon naar een meer stimulerend verhaal. De huidige reglementering is niet aangepast en onrechtvaardig omwille van de disproportionele korting in het kader van de randvoorwaarden en vergroening. De beklemmende administratie moet afgebouwd worden.
  10. Het GLB moet de toegang tot de landbouwsector faciliteren en rendabel maken voor jongeren zodat meer jongeren de stap naar de landbouwsector zetten. De voorziene jongerenvoordelen in het GLB moeten verder maximaal benut worden. De nodige top ups kunnen gezocht worden bij land- en tuinbouwers die de pensioengerechtigde leeftijd zijn gepasseerd. Dit kan een tijdige generatiewissel bijkomend faciliteren, naast de versterking van de overnamesteun.
  11. Het GLB moet oplossingen op maat bieden indien de marktwerking faalt. Het GLB moet vertrekken vanuit de bedrijfsrealiteit van de boer en zorgen voor een breed pallet aan maatregelen waaruit de boer kan kiezen. De noodzaak tot maatwerk stelt zich zowel bij het aanpakken van de economische uitdagingen als bij de uitwerking van de nieuwe ‘groene architectuur’. Het noodzakelijke maatwerk slaat zowel op een gepast pakket aan maatregelen op Vlaams niveau gegeven de Vlaamse landbouw en plattelandscontext als de nodige keuzemogelijkheden voor de individuele boer om die maatregelen op te nemen die het best aansluiten bij zijn specifieke bedrijfscontext.
Deel deze pagina: