Menu

Terug naar Actualiteit >Boeren is geen werk, dat is een levenswijze


Van – behalve voor wielerliefhebbers – vrijwel onbekende boerenzoon naar bekende Vlaming in slechts enkele dagen. Wielrenner Frederik Backaert maakte het vorig jaar mee in de Tour de France. Zijn aanvalsdrift en strijdlust spraken toen enorm veel mensen aan, vermoedelijk omdat Frederik daarmee het karakter van de Vlaming en in het bijzonder van de Vlaamse boer volop in de verf zette. Zijn team, Wanty-Groupe Gobert, laat hem dit jaar thuis. Hij mag in de plaats daarvan de Ronde van Oostenrijk rijden. Frederik legt zich neer bij zijn niet-selectie. Ook het ene boerenjaar is het andere niet.

Wielrenner worden

Het koersen is begonnen na een Belgisch kampioenschap mountainbike op en rond de Berendries, vlak bij de ouderlijke hoeve van Frederik in Michelbeke. “Dat kampioenschap werd gewonnen door Filip Meirhaeghe, naar wie ik toen erg opkeek, omdat hij het jaar voordien zilver gepakt had op de Olympische Spelen in Sidney”, herinnert Frederik zich als gisteren. Het zou dan ook een deel van zijn leven bepalen. De dag voordien was er immers een wedstrijdje voor de plaatselijke jeugd. “Ik startte als elfjarige in de leeftijdscategorie van tien tot veertien jaar en werd derde. Ik zat toen pas een maand op de fiets. Ik ben wat blijven fietsen en op mijn dertiende beginnen mountainbiken als aspirant. Na twee jaar betekende dat overstappen naar de nieuwelingen en ook de overgang naar de weg. Ik vond dat in het begin wat saai, onder meer doordat we beperkt zaten in onze versnellingen. Je moest daar souplesse voor hebben en ik moest het meer hebben van de kracht.” Maar voor Frederiks ouders was het wat praktischer, omdat er meer koersen waren in de buurt. Veel mountainbikewedstrijden vergen verplaatsingen naar de Ardennen, en probeer die maar te combineren met een bedrijf waar tijdig gemolken moet worden. Naarmate de toegelaten versnellingen zwaarder werden, groeiden ook de mogelijkheden voor Frederik. “Bij de junioren was het al heel goed. Tijdens mijn eerste jaren bij de beloften studeerde ik agro- en biotechnologie bij Vives in Roeselare, maar nadien kwam er meer tijd voor de koers.” Hij reed eerst een jaar met een VDAB-statuut, daarna kreeg hij een profcontract bij Wanty-Groupe Gobert. “Ik was toen niet de man van de ontsnappingen. Je zag me niet in het begin van de koers, maar wel op het einde. Vaak schoot ik te laat in gang en was het achtervolgen geblazen. Nu, bij de profs, is het scenario vaak een lange ontsnapping, gecontroleerd koersen en gepakt worden op het einde, waarna een sprint volgt. Dan moet je werken voor de sprinter van je ploeg. In de Dauphiné vorig jaar zijn we eens voorop gebleven en hebben we met een man of zeven gesprint voor de overwinning.” Frederik werd toen derde.

Tour de France

Voor de gemiddelde Vlaming was de Tour van vorig jaar Frederiks grote doorbraak. Hoe heeft hij dat zelf ervaren? “Ik had niet gedacht dat het zo groots ging zijn. Ook in de dagen voor de start kregen we al een pak journalisten. Je verwacht dat het zal overgaan, maar het wordt alleen erger. Zeker bij de start vorig jaar in Düsseldorf, stond er overal volk langs het parcours. Je verwacht dat het na enkele kilometers zal ophouden, maar ook op de buiten stonden de supporters rijen dik. Dat geeft een overweldigende indruk. Je vraagt je dan af of dit alleen op de eerste dag zo zal zijn, maar het blijft alle dagen zo. Maar ook dat went op de duur. Het verschil met onze klassiekers is dat de mensen langs het parcours bij ons doorgaans fanatiek met koers bezig zijn, terwijl je ginds veel mensen hebt die niets van koers kennen.” En uiteindelijk is het niet gelukt om de trofee van de aanvalslust te krijgen. “Ja, ik heb hem nooit gekregen. (Frederik lacht) Ze nemen nu eenmaal meestal een Fransman.”

Of hij nog dromen heeft voor zijn carrière als renner? Frederik reageert dat hij in zijn vijfde jaar als prof weet wat hij kan en niet kan. Maar de ‘Tro Bro Leon’ heeft toch wel een speciale plaats in zijn hart. “Die wedstrijd gaat deels over onverharde wegen in Bretagne. Er wordt heel nerveus gekoerst en op het einde komen altijd de betere renners naar voren. Ik ben er al eens tweede geëindigd. Die koers heeft een vast verloop. Zodra de vroege vlucht weg is, blijft het in het peloton onrustig in elke aanloop naar een onverharde strook. Je moet altijd voorin zitten. Meestal wordt de vroege vlucht teruggepakt op een vijftigtal kilometers van de streep. Daarna komen de beteren op de voorgrond. Er zijn naar het einde toe ook meer stroken. We rijden zelfs over een boerenerf en door een kasteel.” Niet te verwonderen dat Frederik daar presteert, want dat is zowat zijn natuurlijke biotoop.

Bedrijf

Om hun bedrijf voor te stellen, wijst Frederik naar een luchtfoto, waarop de vierkantshoeve te zien is vlak naast de kerk van Michelbeke. Hij overloopt de geschiedenis aan de hand van de gebouwen. “De pasgeboren kalfjes zitten op de vierkantshoeve zelf. Ook de melkstal, de verwerkingsruimtes voor hoevekaas en -boter en de hoevewinkel zijn daarin geïntegreerd. De oude koestal wordt nu gebruikt als wachtruimte. Achter het bedrijf is er een jongveestal, iets verderop staan nog de melkveestal, de aardappelloods en de machineloods.”

Dit bedrijf is niet alleen van mijn ouders, maar ook van mijn voorouders.

Frederik Backaert

De hoevewinkel kwam er omdat ze de melk zelf verwerken tot een kaas van het goudatype, waaraan ze diverse kruiden toevoegen, zoals paprika, brandnetel en tijm, look en mosterd. Daarnaast is er de Triverius, een iets zachtere kaas met fenegriek of met waterkers. Op donderdag maken ze boter, zodat ze op vrijdag verse karnemelk kunnen verkopen in de hoevewinkel. “Onze korte keten”, stelt Frederik. Het interview vond overigens plaats in de ‘Week van de korte keten’. Daarnaast is akkerbouw een volwaardige tak op het bedrijf. Ze telen gras, maïs, suiker- en voederbieten, maar ook aardappelen, wintertarwe en schockeloen (de streekbenaming voor wintergerst). Boontjes zaaien ze na half juni. Het bedrijf wordt gerund door Christian en Christine, de ouders van Frederik, met de hulp van Christians broer.

Het boerenleven

Welke voordelen ziet Frederik in opgroeien op een boerderij? “Dat je wat meer weerstand hebt, doordat je veel buiten bent”, reageert hij. “Ik vond dat ik toch ook wat meer ‘karakter’ had dan de andere jongens en meisjes uit mijn klas. Verder ben je het gewoon om te werken en je kent iets van dieren en planten. Je merkt dat de mensen minder op de hoogte zijn van dingen die voor ons vanzelfsprekend zijn. Ik zou mijn ploegmaats op de mouw kunnen spelden dat een koe zes spenen heeft ...” En de hardheid van het boerenleven heeft zeker een onrechtstreeks effect, want een renner moet veel trainen en wie het gewoon is om te werken als hij iets wil bereiken, kan dat blijkbaar beter opbrengen voor zijn stiel.

(lees verder onder de video)

Sowieso voelt Frederik zich aangetrokken tot de boerenstiel, maar hij voelt het ook ergens aan als een plicht. “Dit is geen gewoon bedrijf, maar een familiebedrijf. Het is niet alleen van je ouders, maar ook van je voorouders. Je zet het werk van je grootouders en overgrootouders voort, en ik vind dat het voortgezet moet worden. Ik denk dat iedereen die een familiebedrijf heeft zoiets denkt.” Ik reageer dat de uitspraak van Frederik bijna identiek is aan die van Daan, een van de vier hoofdpersonen in de documentaire film Ceres (zie Boer&Tuinder nr. 21). Die zegt letterlijk: “Dit bedrijf zit al enkele generaties in mijn familie, ik wil het voortzetten en hopelijk gaat het na mij ook weer verder.” Frederik bevestigt dat. Hij gebaart opnieuw naar de luchtfoto en vraagt zich af wat er met het bedrijf zou gebeuren wanneer niemand van de familie het zou overnemen. Hij beseft ook dat hij het bedrijf zal moeten herstructureren, wanneer hij er ooit alleen voor komt te staan. “Nu werken mijn ouders en mijn oom fulltime in het bedrijf. Maar ze worden ouder en ooit val ik alleen. Frederik vindt dat zijn partner niet verplicht hoeft te zijn om mee in het bedrijf te werken. “Ze moet er wel voor openstaan. Je moet jezelf eens in de plaats stellen van een hedendaagse vrouw. Ik denk niet dat veel vrouwen ervoor zullen kiezen om een boerderij over te nemen samen met hun man. (Hij knikt naar het bureau met de computer.) De papieren liggen hier ook te wachten en het wordt er allemaal niet eenvoudiger op. Je hebt een partner nodig die het ziet zitten om met een boer samen te leven. Dat is geen werk, dat is een levenswijze.”