Menu

Terug naar Actualiteit >Beleid bepaalt mee de bodemtoestand

Alle regio's

De Bodemkundige Dienst van België (BDB) greep op 5 december de wereldbodemdag aan om de viering van 70 jaar af te ronden. Dat deed het met een academische zitting, waarin onder meer het werk ‘Zeven decennia bodemvruchtbaarheid in België (1945-2015)’ werd voorgesteld.

Het boek schetst de geschiedenis van de Bodemkundige Dienst. In 1933 startte professor Jozef Baeyens als jong docent aan het Leuvense Landbouwinstituut met het Bodemkundig Laboratorium. Ideeën voor de werking en de te gebruiken extractie- en meetmethoden deed hij onder meer op door samen te werken met Nederlandse en Duitse collega’s en door zijn werk in Belgisch Congo.

Op basis van het tweede deel van het boek kon directeur Hilde Vandendriessche een interessante uiteenzetting brengen over de evolutie van de bodemvruchtbaarheid gedurende 70 jaar. In het werk werden de resultaten van 70 jaar bodemonderzoek gebruikt om de evolutie van de bodemvruchtbaarheidsparameters zuurtegraad, koolstofgehalte en het gehalte aan P, K, Mg en Ca weer te geven. Omdat de manier waarop de resultaten werden ingedeeld in klassen en ook de analysemethoden evolueerden in de loop van de jaren, diende men de oude resultaten te herrekenen tot de huidige situatie.

Bij meerdere evoluties vallen de effecten van het beleid op. Tijdens de tweede wereldoorlog, bijvoorbeeld was de zuurtegraad van meer dan 60% van de akkerbouwpercelen te hoog. Via het netwerk van staalnemers, vaak priesters en onderwijzers, werd een campagne opgestart om meer te bekalken. Nog geen 10 jaar nadien had 25% van de percelen al een zuurtegraad boven het optimum. Toen werd een spreekwoord gelanceerd: ‘kalk maakt rijke ouders maar arme kinders’. Kalk geeft een positief effect op de opbrengst, maar te veel kalk zorgt voor afbraak van het organisch materiaal, en dat werkt negatief op termijn.

Ook het dieper ploegen bleek de zuurtegraad en het gehalte aan organisch materiaal in de bodem negatief te beïnvloeden. Dat komt volgens Vandendriessche doordat een diepere bouwvoor ten gevolge van het grotere volume meer kalk vergt om de pH op peil te houden en doordat ook het aanwezige organisch materiaal verdeeld wordt over dat grotere volume. Fosfor en Kali is sedert de jaren 70 vooral een verhaal van teveel. Kali spoelt gemakkelijk uit, zeker op lichte bodems, en bij overmaat neemt de plant er meer op dan nodig. Dat kan bij rundvee de balans K/Mg verstoren en daardoor bij rundvee aanleiding geven tot kopziekte. Fosfaat spoelt niet uit, zodat men dit ook later kan benutten. Alleen minder diep wortelende gewassen hebben extra fosfaat nodig. Vandendriessche vroeg zich ook af of het daarom niet effectiever zou zijn om de fosfaatbemesting op rotatiebasis te beperken in plaats van jaar na jaar de maximaal toegelaten dosis toe te passen. Ze realiseerde zich dat de weg naar een meer optimale bodemtoestand een lange weg is die niet snel resultaten zal laten zien. Dat vereist dat iedereen samenwerkt.