Menu

“Ondanks de omsingeling kom ik hier tot rust”

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Regio: 

Boerenzoon Chris De Stoop kennen we als de schrijver van spraakmakende boeken als De bres (over de strijd van het polderdorp Doel) en Dit is mijn hof (over de teloorgang van de Wase polder). Zijn ouderlijke bedrijf in Sint-Gillis-Waas bestaat nog, maar de stallen zijn nu leeg. “Ik hou de boerderij in stand en heb hier mijn schrijfplek”, zegt Chris.

We schrijven 1953, het jaar van de grote overstromingen. De ouders van Chris, allebei uit oude boerenfamilies van het dorpje Moregem in de Vlaamse Ardennen, vestigen zich in Sint-Gillis-Waas. Ze wonen een half jaar in bij de familie De Rop, van wie ze het middelgrote, gemengde landbouwbedrijf pachten. Later kopen ze het over. In 1958 wordt Chris geboren.

Was het Waasland eind jaren 50, begin jaren 60 een veeteeltstreek?

Chris De Stoop: “Er is hier altijd een scheiding geweest tussen de polder (naar de Schelde op) en het zogenaamde bolakkergebied (naar het binnenland op). De polder was een echte akkerbouwstreek, met trotse boeren, die grote arealen hadden. Het bolakkergebied had schralere zandgrond, met veel gemengde en kleinere bedrijven. In 1958 telde ons dorp nog honderden boerderijen. In de jaren 60 gingen steeds meer mensen werken in de opkomende fabrieken rond de haven van Antwerpen. Eind jaren 60 was er op school al een tweespalt tussen een minderheid van boerenkinderen en de zogenaamde burgerkinderen. Na de schooluren leidde dat zelfs tot vechtpartijen. Men keek neer op mensen die op het boerenbedrijf bleven.”

Ondanks die problemen had je een gelukkige jeugd?

“Ons bedrijf was een unieke wereld om in op te groeien. De boerderij was ruim tweehonderd jaar oud en ze was in hoefijzervorm opgebouwd, met lange schuren, die haaks op elkaar stonden, een typische boerenwoning en het wagenhuis. De voorkant was open, met een haag. De mesthoop lag pontificaal in het midden, zoals het toen hoorde. Het was een fantastische plek voor een kind. Een eigen wereld, met die stallen, schuren, boomgaard, weiden, beken en kreken. Als kind wou ik eerst dierenarts worden, want de boerderij was sowieso voorbestemd voor mijn oudere broer Alex. Toen ik twaalf was, schreef ik al verhalen over het boerenleven. Het schrijven zat blijkbaar in mijn bloed, ook al waren er op de boerderij geen boeken te bespeuren. Maar mijn moeder was wel een geboren verteller.

Het was een magische, mythische wereld voor mij. Een veilig nest, met een grote geborgenheid en tegelijkertijd een grote vrijheid. Begin jaren 70 bouwde mijn vader een stal voor zo’n driehonderd vleesvarkens en nog een stal voor enkele tientallen zeugen. Daarbij hoorden enkele tientallen hectaren land, met vooral granen, bieten en aardappelen. De tweespalt tussen boeren- en burgerkinderen werd in de jaren 70 nog scherper, met als bekendste probleem het feit dat boerenzonen geen vrouw meer vonden. Alex was populairder bij de meisjes dan ik, maar het sprong een paar keer af op het feit dat hij per se boer wilde worden en die meisjes dat niet zagen zitten. Toen ik achttien was, trok ik naar de universiteit in Leuven, om er Germaanse filologie en Communicatiewetenschappen te gaan studeren.”

Als kind ervaarde ik onze boerderij als een magische, mythische plek.

Chris De Stoop

Jullie bedrijf onderging een hele metamorfose toen je vader stierf?

“Ja, hij overleed al in 1980 toen hij 58 was, aan de gevolgen van een hersentumor. Alex (links op de oude foto), die toen 26 was, zette de boerderij voort, samen met mijn moeder. In die periode werd ons bedrijf getroffen door brucellose, waardoor de koeien verwerpingen kregen. Daarna schakelde hij over naar een bedrijf met een 100-tal zoogkoeien. Hij volgde de opkomende passie voor het witblauwe ras, dat uit Ciney ingevoerd werd. De overige teelten, zoals suikerbieten en aardappelen, stootte hij later geleidelijk af. De akkers stonden toen vooral in functie van het zoogkoeienbedrijf, met maïs en gras. Die sector bleef nog redelijk lang winstgevend.

Na mijn studies heb ik nog een half jaar geholpen op het bedrijf, waarna ik in 1982 als reporter bij Knack aan de slag ging. Tien jaar later begon ik ook boeken te schrijven. Ik schreef vooral over sociale problemen, ook in de landbouw. Dat sociale engagement komt van mijn moeder, die geen onrecht kon zien. De koppigheid en het doorzettingsvermogen heb ik van mijn vader. Zelfs het onderwerp ‘vrouwenhandel’ – voor mijn eerste boek, Ze zijn zo lief, meneer – heb ik hier op de boerderij opgepikt uit landbouwtijdschriften. Agentschappen begonnen toen Filipijnse bruiden aan te bieden aan boerenzonen. Het boek sloeg in als een bom. De BBC verwerkte het tot een documentairefilm en in diverse landen werden parlementaire onderzoekscommissies opgericht en criminele netwerken ontmanteld. Een jaar later moest ik er over getuigen op de begrafenis van koning Boudewijn.”

De dood van jouw broer betekende opnieuw een keerpunt?

“Mijn broer stapte 7 jaar geleden uit het leven, toen hij 56 was. Door een mix van persoonlijke en professionele factoren, denk ik. Mijn oude, zieke moeder was na een val in het ziekenhuis beland. Daar bleek dat ze niet meer kon terugkeren naar de boerderij. Alex zag het blijkbaar niet zitten om helemaal alleen achter te blijven. Zijn bedrijf was zeker niet verlieslatend, maar net zoals zijn collega’s onderging hij de druk van de opeenvolgende crisissen in de landbouw en alle frustraties die daarmee gepaard gingen.

Het is verbijsterend om vast te stellen dat er in de maatschappij nog solidariteit is voor veel zaken, maar weinig of geen voor boeren in nood. Ongelooflijk dat de samenleving dat niet als een sociaal drama ervaart. Een organisatie als ‘Boeren op een Kruispunt’ is nog veel te weinig bekend bij het grote publiek. Na het overlijden van mijn broer hebben we meteen de zoogkoeien weggedaan, het kon gewoon niet anders. Het land is er nog en wordt grotendeels verhuurd. Het boerenhof is natuurlijk verouderd, maar heeft een grote emotionele waarde voor mijn moeder en mij (zie foto bovenaan). Na de schok van het wegvallen van haar oudste zoon, wou ik niet dat ze ook nog het einde van ‘haar hof’ moest meemaken.”

Met de aangrijpende boeken De bres en Dit is mijn hof veroverde je voorgoed het hart van heel wat Vlaamse landbouwers …

“Die verhalen zijn voor velen erg herkenbaar. Het zijn in elk geval mijn meest intense, persoonlijkste boeken. Tot mijn verbazing bereikte ik er ook een zeer breed publiek mee, buiten de landbouw. Dit is mijn hof, intussen een echte bestseller geworden, gaat over de teloorgang van de Wase polderstreek door de Antwerpse havenuitbreiding en de vele natuurcompensaties, waarvan de Hedwigepolder het symbool is geworden. De kern van het boek is het verlies van een eeuwenoud landschap, maar ook van de band met het land, die we grotendeels kwijt zijn. De burger kijkt nu naar het landschap door een ‘toeristische bril’, terwijl boeren er vaak nog wel een echte, intense band mee hebben, hoeveel kritiek er ook op mogelijk is. Het landschap heeft meerdere lagen van betekenis, die we weer moeten leren zien. Daar kunnen boerenorganisaties aan bijdragen.

Binnen enkele jaren hoop ik nog het derde en laatste deel van mijn poldertrilogie te schrijven. In onze straat had je vroeger twaalf boerderijen en een schaapherder. Nu blijft er nog één boer over, zonder opvolger. Dat is representatief voor wat er in heel Vlaanderen en Europa gebeurd is. In mijn familie waren er eeuwenlang boeren. Op een dag zal ik die eeuwenoude ketting moeten doorknippen en het licht hier uitdoen. Dat is geen leuk gevoel. Sinds de dood van mijn broer is dit mijn schrijfplek, ook al is het hof nu helemaal omsingeld door grote projecten – een windmolenpark, een grote handelszaak, een megagroot tomatenbedrijf … Maar toch, zodra ik het erf oprijd, kom ik tot rust.”

Deel deze pagina: