Menu

“Je moet zaaien vooraleer je kunt oogsten”

Terug naar Actualiteit
Sector: 
"Er zijn heel wat belangrijke actiepunten voor de sectorvakgroep Akkerbouw", zegt voorzitter Mathieu Vrancken...
Laatst aangepast: 
26 februari 2019

Bart Vleeschouwers

Mathieu Vrancken heeft een gemengd akkerbouw-vleesveebedrijf in het Zuid-Limburgse Kanne, vlak bij de Nederlandse grens. Hij is voorzitter van de sectorvakgroep Akkerbouw en lid van het Hoofdbestuur van Boerenbond. Mathieu vertegenwoordigt zijn collega’s-akkerbouwers in diverse organisaties en raden en heeft een uitgesproken mening over heel wat dingen die de akkerbouw en de landbouw in het geheel bijzonder aanbelangen. We hadden een gesprek met hem, samen met Toon De Keukelaere, secretaris van de vakgroep.

Wat zijn volgens jou de belangrijkste uitdagingen voor de akkerbouw?

Mathieu: (lachend) “Heb je een paar uur tijd? Het zijn er echt een heleboel. De zes actiepunten die we in de vakgroep vastgelegd hebben, waren alleen zaken waaraan we iets konden doen in Boerenbond en eventueel op Vlaams niveau. Uitdagingen zijn er op allerhande niveaus. Je hebt het Vlaamse en het lokale niveau, je hebt het Europese niveau en ten slotte het wereldniveau. Op het eerste niveau kunnen we proberen invloed uit te oefenen en concrete dingen te realiseren, maar op de twee hogere niveaus wordt dat veel moeilijker. Nochtans kan ook een enkele regio hier onverwacht een impact hebben. Ik geef een voorbeeldje. Toen het Waals gewest in 2017 weigerde om het vrijhandelsverdrag tussen Europa en Canada (CETA) goed te keuren, stond de hele wereld ongeveer op zijn kop. Dat had men nog nooit meegemaakt en het zal zeker invloed hebben op hoe over dat soort verdragen onderhandeld wordt.

Toon: “De landbouw mag rond al die internationale verdragen gerust een kritische stem laten horen, want erg consequent is het allemaal niet. Aan de ene kant wordt onze wetgeving steeds strenger ‘om de consument te beschermen’, maar aan de andere kant wil men wel allerlei producten binnenlaten die niet aan onze Europese normen voldoen.”

Mathieu: “We moeten natuurlijk zelf goed weten wat we willen. Onze sector heeft veel belang bij vrijhandel, omdat die ons toelaat om onze producten uit te voeren naar de rest van de wereld, maar voor onze akkerbouwers zijn zulke verdragen meestal een slechte zaak. Misschien zeg ik soms dingen die collega’s in andere sectoren niet zo graag horen, maar het is toch mijn taak als voorzitter van de sectorvakgroep Akkerbouw. Ik vind wel dat je tegenstellingen moet kunnen uitpraten als volwassen mensen. Als je dan nadien nog door dezelfde deur kunt, ben je goed bezig volgens mij.”

Als we het even een niveau dichterbij halen, wat speelt daar zeker een belangrijke rol?

Mathieu: “Dat is zeker de hele problematiek van de plantenbescherming. Voor de akkerbouw is het van levensbelang dat er voldoende gewasbeschermingsmiddelen beschikbaar zijn en dat ze ook beschikbaar blijven, want zoals de regelgevers op Europees en Belgisch niveau nu bezig zijn, rijden we ons binnenkort helemaal vast. Het ergste is dat veel van de regelgeving niet langer gebaseerd is op harde wetenschappelijke bewijzen, maar gestoeld is op emotie en politiek opportunisme. Laten we eerlijk zijn, onze politici zijn bang geworden van hun eigen schaduw. In hun streven naar een maatschappij met een nulrisico, blokkeren ze elke normale bedrijfsvoering – en heus niet alleen in de landbouw. Welnu, een nulrisico bestaat niet. Zelfs het leven is riskant, want je gaat ervan dood.”

Toon: “Het is zover gekomen dat onderzoek naar nieuwe moleculen in vraag gesteld wordt in de EU, laat staan dat erkenningsprocedures van nieuwe producten starten. Dat baart me wel zorgen.”

Mathieu: “Iets vergelijkbaars zagen we vorig jaar toen een Europese rechtbank de Crispr-Castechniek op hetzelfde niveau plaatste als de klassieke genetische manipulatie. Dat schuift een hele reeks mogelijke ontwikkelingen die het milieu en de duurzaamheid ten goede kunnen komen op de lange baan. Zo ook het onderzoek naar plaagresistente aardappelen door kunstmatige inkruising van resistentiegenen uit wilde aardappelen. Dat is toch gewoon de natuurlijke selectie een beetje versnellen? Maar neen, volgens de fundamentalisten binnen de milieubeweging mag dat ook niet. Gelukkig zien ook daar steeds meer mensen de voordelen van deze technologieën in, doordat we bijvoorbeeld veel minder hoeven te behandelen als we ziekteresistente rassen kunnen kweken.”

Tegenstellingen moet je kunnen uitpraten als volwassen mensen.

Mathieu Vrancken, voorzitter Sectorvakgroep Akkerbouw Boerenbond

In de brochure met de beleidsprioriteiten voor de sectorvakgroepen staat onder andere dat de akkerbouw knolcyperus wil aanpakken.

Mathieu: “Knolcyperus wordt een groot probleem, vooral omdat er geen afdoende aanpak is. Spijtig genoeg zijn er nog altijd landbouwers en loonwerkers die de ernst van het probleem niet (willen) zien of die gewoon niet weten wat knolcyperus is. Moet het zover komen dat er pas voldoende aandacht voor is wanneer boeren problemen krijgen met geweigerde partijen aardappelen of suikerbieten? We kunnen de verdere verspreiding slechts tegengaan als we iedereen kunnen overtuigen om de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen, ook al vragen die tijd en moeite. Ik vind trouwens dat de overheid er zich niet te gemakkelijk van af mag maken en dat er veel meer geïnvesteerd moet worden in onderzoek naar een mogelijke aanpak. Een individuele boer kan dat immers niet aan.”

De vakgroep wil ook werken aan een brancheorganisatie (BO) voor de akkerbouwsector. Wat bedoelen jullie daarmee?

Toon: “Voor alle duidelijkheid wil ik eerst even uitleggen dat een branche-organisatie (BO) en een producentenorganisatie (PO) twee verschillende dingen zijn. In een BO komen alle delen van een sector samen, om na te gaan hoe de hele keten beter georganiseerd kan worden. Er kunnen afspraken gemaakt worden rond de inhoud van contracten, rond voorwaarden van vruchtafwisseling, rond leveringsvoorwaarden enzovoort. Het coördineren en aansturen van wetenschappelijk en praktijkgericht onderzoek is zeker een thema dat al op korte termijn aangepakt zou kunnen worden.”

Mathieu: “Daar ben ik het volledig mee eens. Het zal wel niet gemakkelijk zijn om zo’n organisatie op poten te zetten, omdat er ook geld samengebracht moet worden om alles te laten draaien. En als het om de knikkers gaat, houdt iedereen zijn zakken toe. Nochtans moet je zaaien voordat je kunt oogsten. Iedereen is ook winnaar als we erin slagen om met de hele keten een aantal praktische afspraken te maken. Ik vermoed wel dat dit een project van lange adem wordt. Maar laat dit duidelijk zijn: er moet op termijn meer te oogsten zijn dan we gezaaid hebben.”

En hoe sta jij tegenover het instrument van de beheerovereenkomsten?

Mathieu: “Ik vind dat een mooi instrument, waarmee de overheid zeker de mogelijkheid gecreëerd heeft om waardevolle natuur te bewaren. Maar de manier waarop de VLM dit momenteel aanpakt, stuit me toch wat tegen de borst. De bedrijfsplanners die deze beheerovereenkomsten begeleiden, richten zich voornamelijk op gepensioneerde boeren met een nog een toegelaten bezigheid, voor wie de beheerovereenkomsten natuurlijk erg interessant zijn. Je krijgt een vrij behoorlijke vergoeding en hebt er als boer bijna geen werk aan. Je kunt alles door een loonwerker laten doen en je opbrengst maakt ook niet veel meer uit. Op die manier kan je tot je 95 jaar boer blijven! Maar die gronden komen wel niet ter beschikking van jonge boeren, die ze kunnen gebruiken voor de uitbreiding van hun bedrijf. De overheid kan op die manier wel mooie resultaten voorleggen, maar als dat ten koste gaat van de leefbaarheid van jonge bedrijven, heb ik er mijn bedenkingen bij.

Ik realiseer me dat ik hiermee op een van mijn stokpaardjes zit, namelijk of we ook niet de moed moeten hebben om eens grondig te herbekijken wie er kan genieten van de beschikbare middelen in het Europees landbouwbeleid. Als er bespaard moet worden op de kostprijs van het GLB, zou het geld toch in de eerste plaats moeten gaan naar actieve boeren en naar bedrijven met een toekomst, niet naar gepensioneerden. Zij hebben toch al een vervangingsinkomen van de maatschappij. Het beleid blokkeert zo de ontwikkeling van levenskrachtige bedrijven. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ik realiseer me dat dit voor een organisatie als Boerenbond wel moeilijk ligt, omdat die alle boeren moet verdedigen, ook de gelegenheidslandbouwers.”

Kan je ons als afsluiter nog wat informatie geven over je eigen bedrijf?

Mathieu: “We hebben hier in Kanne een gemengd bedrijf met vleesvee en akkerbouw. Het vee is allemaal Belgisch wit-blauw, omdat ik dat een rustig ras vind, dat goede resultaten geeft. We verminderen deze tak de laatste jaren een beetje en zetten meer in op de akkerbouw, vooral sinds zoon Koen mee in het bedrijf gekomen is. Ik heb dus een opvolger. Koen heeft inmiddels een eigen woning, bij een nieuwe bedrijfszetel in de buurgemeente Zichen-Zussen-Bolder, want hier was een verdere uitbating en uitbreiding van een modern landbouwbedrijf niet haalbaar. Onze akkerbouwtak bestaat voor een kleine helft uit aardappelen en voor de rest uit een mengeling van granen, mais, suikerbieten, cichorei, erwten, bonen, uien enzovoort.”

Topprioriteiten van de vakgroep Akkerbouw

  • Voldoende mogelijkheden behouden/verkrijgen om de gewassen te beschermen
  • Knolcyperus bestrijden met een onderbouwde en gedragen aanpak
  • Op zoek gaan naar nieuwe teelten
  • Voorstellen uitwerken voor innovatieve beheerovereenkomsten
  • Een branche-organisatie voor aardappelen opstarten en opvolgen
  • De rentabiliteitsbarometer voor de akkerbouw verder optimaliseren
Deel deze pagina: 

Meer informatie

Sector: