In 1903 werd Mellaerts vervangen als algemeen secretaris door een andere priester: Eduard Luytgaerens. Op korte tijd wist Luytgaerens de interne administratie (ledenadministratie, boekhouding, zakelijk beheer,…) te organiseren. Beter dan wie ook doorzag hij snel welke de leemten waren in de jonge Boerenbond. Vanaf 1907 begon hij met de organisatie van de boerinnen. In 1911 met de tuinders, in het begin van de jaren twintig met de boerenjeugd.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog waren meer dan 70.000 boeren en boerinnen lid van de Boerenbond. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kreeg de landbouw harde klappen. De Boerenbond trachtte zo goed mogelijk zijn werking in stand te houden. Toch dienden vele boerengilden na de oorlog opnieuw gesticht te worden. Na de oorlog schakelde Luytgaerens, samen met Helleputte, de Boerenbond in de werking van de katholieke partij in. Tegelijk versterkte hij het godsdienstige engagement: retraites, Scherpenheuvel- en Lourdesbedevaarten, deelname aan de Katholieke Actie, enz.
Op relatief korte tijd groeide de Boerenbond uit tot een opvallend geslaagde beroepsorganisatie. In binnen- en buitenland werd hij herhaaldelijk tot voorbeeld gesteld. Hij werd ook meer dan eens geïmiteerd: in Nederland, in Canada, in Argentinië, tot in China toe.
|
De bijdrage van de Boerenbond tot de modernisering van de landbouw staat buiten kijf. Hij bracht de boeren de basisbegrippen bij van de moderne grondbewerking, zaadverdeling, veevoeding en veeverbetering, stalhygiëne en zuivelbewerking. Het is niet overdreven dat de opvallende rendementstoename van de Belgische landbouw tussen de twee wereldoorlogen voor een groot stuk aan de professionele voorlichting van de Boerenbond te danken. |
|
|
De stijgende ledenaantallen zijn misschien wel de beste maatstaf om het succes van de Boerenbond te meten:
in 1920 telde hij reeds 88.000 leden, in 1930 ca. 128.000. De eerste jaren had hij bijna uitsluitend in de provincies Brabant, Limburg en Antwerpen gewerkt. Vlak na de Eerste Wereldoorlog kwamen daar Oost- en West-Vlaanderen bij. In de loop van de jaren twintig werd de commerciële werking uitgebreid tot in Wallonië, de Oostkantons en zelfs tot de uitgeweken Vlaamse boeren in Frankrijk. |
 |