Op 20 juli 1890 werd te Leuven "eenen Boerenbond" gesticht. Veel had die bij zijn oprichting niet te betekenen. Een juridisch statuut had hij niet, een eigen lokaal ook niet en enig startkapitaal evenmin. De opzet was evenwel des te grootser. De Boerenbond wilde, aldus zijn statuten van 1890, door het behartigen van de godsdienstige, sociale en economische belangen van zijn leden, "een christelijke en machtige boerenstand bekomen"…
| In 1890 maakte de hele maatschappij een zware crisis door. De Belgische industrie had te kampen met een tekort aan afzetmogelijkheden en hoge werkloosheid. De Belgische landbouw die eeuwenlang voor de voedselvoorziening had ingestaan, werd plots uit de markt geduwd door goedkopere landbouwproducten uit alle werelddelen. De grootgrondbezitters vreesden voor de ontwaarding van hun landbouwgronden. De boeren zagen, met de daling van de landbouwprijzen, hun inkomen dalen. |
 |
| |
|
 |
De katholieke kerk en de toenmalige katholieke partij vreesden de plattelandsvlucht, want als de verarmde boeren naar de wereldse stad trokken was het gevaar groot dat zij de kerk de rug zouden toekeren en zouden overlopen naar de opkomende socialistische partij. |
In 1899 begonnen de stichters, pastoor Jacob-Ferdinand Mellaerts en de katholieke volksvertegenwoordigers Joris Helleputte en Franz Schollaert, aan het voorbereidend denkwerk. Volgens hen zou de Boerenbond "het gebouw zijn onder wiens dak de boer beschutting zal vinden". Op een tiental jaar slaagde secretaris Mellaerts erin de organisatie uit te bouwen. Hij richtte tientallen lokale boerengilden op, begon met het bondsblad "De Boer", startte met professionele voorlichting en met de uitbouw van coöperatieve aankoopafdelingen, Raiffeisenkassen en bedrijfsverzekeringen. Hiermee legde hij de basis van de economische werking van de Boerenbond in de 20ste eeuw in de sector van de landbouwgrondstoffen en veevoeders, de sector van de spaarbanken en de verzekeringssector.