|
Van juli tot december nam ons land het wisselende voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waar. Ons land is een rot in dat vak. Als stichtend lid van de Europese Unie, nam het al meermaals deze taak op zich, ook in moeilijke omstandigheden. In 2001 was er de terreuraanslag in New York. Ditmaal was er crisis in het eigen huis, met de aanslag op de euro. Wat waren de uitdagingen inzake landbouw?
België reed de jongste zes maanden als voorzitter van de Raad van de Europese Unie een feilloos parcours. Dat hebben vriend en vijand erkend. Op de eerste plaats werden de Europese meubelen gered tijdens de zwaarste crisis die Europa met de euro doormaakte. Want zonder euro is er geen Europese Unie meer. Europa maakte onder Belgisch voorzitterschap ook geleidelijke vooruitgang op heel wat vlakken en gaf op internationale conferenties blijk van eensgezindheid en daadkracht. Denk hierbij aan de klimaatconferentie en de conferentie over biodiversiteit. Naast leden van de ontslagnemende federale regeringen namen ook ministers van de Vlaamse en Waalse regeringen de leiding van vakraden op zich. Federaal landbouwminister Sabine Laruelle leidde de Raad van ministers van Landbouw efficiënt en resultaatgericht, Vlaams minister-president en landbouwminister Kris Peeters leidde de Visserijraad. Voor de medewerkers en ambtenaren is zo’n voorzitterschap een immense klus. Zo’n Europees voorzitterschap gaat immers niet alleen gepaard met voorbereidingen van de officiële bijeenkomsten, maar er zijn ook talrijke Europese conferenties en manifestaties in eigen land.
We beperken ons hier tot landbouw en we vroegen aan Herman Hooyberghs, directeur-ingenieur bij het Departement Landbouw en Visserij van de Vlaamse overheid, en Loes Lysens, attaché Landbouw bij de Vlaamse vertegenwoordiging op de Belgische Permanente Vertegenwoordiging (lees: ambassade) bij de Europese Unie, naar hun bevindingen. Hooyberghs was niet aan zijn proefstuk toe. Hij maakte al meerdere Belgische voorzitterschappen mee. Hij bekleedde gedurende zes maanden het voorzitterschap van het belangrijk Speciaal Comité Landbouw, dat de landbouwraden voorbereidt. Dat comité vierde op 9 september onder Belgisch voorzitterschap trouwens zijn vijftigste verjaardag. Voor Loes Lysens was het haar eerste Belgische voorzitterschap. Wat blijft hen bij? Ongetwijfeld is dat de aanloop naar de mededeling van de Europese Commissie over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2013, met onder meer de organisatie van de informele bijeenkomst van de Raad. Het zwaarste werk bleek de vereenvoudiging en vooral aanpassing van de Europese landbouwwetgeving aan de nieuwe spelregels van het Verdrag van Lissabon te zijn, een opdracht die nog wel even zal duren en waarvan de gevolgen voor de sector nog niet te overzien zijn. Waarover gaat het?
Verdrag van Lissabon
Met het Verdrag van Lissabon wordt ook de landbouwwetgeving voortaan gemaakt volgens de ‘co-decisie’, de medebeslissingsprocedure van de Raad én het Europees Parlement. Ook nieuw is het feit dat voor toepassingsbepalingen van de wetgeving naast de bestaande procedure – waarbij de Europese Commissie samen met de lidstaten de uitvoeringsbesluiten vaststelt in de comités (comitologie) – zogenaamde ‘gedelegeerde handelingen’ mogelijk worden, waarbij de Europese Commissie eigenhandig de uitvoeringsbesluiten kan uitvaardigen. Raad en Parlement kunnen weliswaar binnen een bepaalde periode bezwaar aantekenen. Met andere woorden, de Europese Commissie krijgt heel wat meer bevoegdheden bij het uitvoeren van de Europese wetgeving en hoeft niet langer de weg te gaan van de verschillende comités waarin de lidstaten vertegenwoordigd zijn. In totaal moet in 49 Europese landbouwwetteksten – artikel voor artikel – opnieuw bekeken worden of er al dan niet meer autonomie gegeven kan worden aan de Europese Commissie. Heeft de landbouwsector er belang bij dat de Europese Commissie snel en accuraat uitvoeringsbesluiten kan nemen en/of wijzigen, zonder inmenging van de lidstaten of het Europees Parlement? Het is een snellere procedure om in te spelen op noden. Maar je kan je de vraag stellen of de sector en de lidstaten wel voldoende vertrouwen hebben in de Europese Commissie.
“Zeker wanneer er middelen van de lidstaten mee gemoeid zijn, moeten lidstaten hun inbreng kunnen blijven hebben. Denk aan het hele plattelandsbeleid,” zegt Lysens. “Maar beslissen met co-decisie door de Raad én het Parlement vraagt veel tijd. Dan moet elke kleine wijziging ook opnieuw langs het Europees Parlement en dat duurt minstens anderhalf jaar.”
Er moet nu nagegaan worden wat de beste regeling is voor elk artikel van de wetgeving, om een sterk en efficiënt beleid te kunnen voeren. Zo wil de Europese Commissie bijvoorbeeld in de toekomst volledig eigenhandig sanctiebepalingen kunnen vaststellen. Tegen eind 2011 moeten alle commissievoorstellen voor deze aanpassing aan bestaande wetgeving op tafel liggen. Deze oefening loopt samen met de gevraagde vereenvoudiging van de landbouwwetgeving.
Actieve boeren
Tot zover het werk achter de schermen. Vóór de schermen waren er de maandelijkse officiële bijeenkomsten van de Raad van Ministers en de informele ministerraad in Terhulpe, met bedrijfsbezoeken in Vlaanderen. Herman Hooyberghs verwijst naar de voorzittersbesluiten over de zuivelsector, die in september goedgekeurd werden en die de basis vormden voor de voorstellen die de Europese Commissie later uitbracht. België had gekozen voor een sterk signaal, waardoor het geen raadsbesluit werd maar een voorzittersbesluit – gesteund door 22 lidstaten, goed voor ruim 75% van de Europese melkproductie. De Europese Commissie is de Raad hier in grote mate gevolgd.
Tijdens de informele raad over het GLB na 2013 werd de weg bereid voor de blauwdruk van de Europese Commissie. Belangrijk was de bijzondere aandacht die geschonken werd aan jonge boeren, aan de volgende generatie. Op die bijeenkomst werd duidelijk dat het toekomstige GLB voor ‘actieve boeren’ moest gelden, niet voor sofaboeren. De Europese Commissie nam dit tot slot ook over in haar mededeling, en in de Raad van december werd onder Belgisch voorzitterschap al een eerste debat gevoerd over wie nu precies een actieve boer is.
Tijdens de bedrijfsbezoeken van de informele raad slaagde Vlaanderen erin om enkele specifieke verwezenlijkingen en zorgen onder de aandacht te brengen. “Nu nog steeds krijgen we vragen van lidstaten naar meer informatie over de werking van onze producentenorganisaties en van de gedragscode die in ons land tussen de schakels van de voedingsketen werd opgesteld,” zegt Herman Hooyberghs. De landbouwministers en landbouwcommissaris brachten immers een bezoek aan de Mechelse Veilingen, kregen een uiteenzetting van Boerenbondvoorzitter Piet Vanthemsche over de gedragscode binnen de voedingsketen en kregen een beeld van de schoolfruitactie in ons land. Tijdens hun bezoek aan de Wolkenhoeve in Geel, een modern varkensbedrijf én zorgboerderij, werd gewezen op de problematiek in de varkenssector maar ook op het feit dat de steunmogelijkheden voor zorgboerderijen in 2007 uit het plattelandsprogramma werden geschrapt, waardoor Vlaanderen niet langer kan rekenen op medefinanciering vanuit Europa. Het bezoek aan dat varkensbedrijf was ook de eerste aanzet voor aandacht voor de varkenssector. Die aandacht kreeg vervolg in de Raad. Er was de reflectiedag in het Vlaams Parlement over de toekomst van de varkenssector, waar alle lidstaten aanwezig waren en net als het Europees Parlement een sterk signaal uitzonden naar de Europese Commissie. Dit mondde uiteindelijk uit in de beslissing van de Europese Commissie om actief mee te werken aan een ‘high level’ groep over de sector, op het niveau van het Speciaal Comité Landbouw.
Het is nu aan Hongarije om de fakkel over te nemen en wat België (lees: Vlaanderen) op de sporen heeft gezet aan het bollen te krijgen. Herman Hooyberghs en Loes Lysens hebben er alle vertrouwen in. In het kader van het ‘trio-voorzitterschap’ – zoals het Verdrag van Lissabon voorschrijft – is er goed met Hongarije samengewerkt. België maakt trouwens ook de komende zes maanden nog deel uit van dat trio.
Jacques Van Outryve
|