|
|
Boerenbondvoorzitter Piet Vanthemsche: “We verwachten een stabiele regering, die knopen doorhakt en beslissingen neemt, al zijn die niet populair. Ook dat is een vorm van rechtszekerheid voor ondernemingen.
”Naar aanleiding van de verkiezingen bezorgde de Boerenbond een politiek memorandum aan de partijen. Behalve voorstellen voor land- en tuinbouw bevat het ook ideeën rond leven en werken op het platteland. Het is immers een memorandum van de volledige Landelijke Beweging. We spraken erover met voorzitter Piet Vanthemsche.
|
– In de uitgangspunten wordt vooropgesteld dat de overheid ondernemingszin moet stimuleren. Wat zijn daarbij de belangrijkste verwachtingen?
PIET VANTHEMSCHE: “Wij benadrukken dat de overheid ondernemerschap moet stimuleren. Vandaag wordt dat niet geapprecieerd of gestimuleerd. We staan voor moeilijke jaren. Na de zware economische crisis komt een moeilijke herstelperiode. Ik zie drie opdrachten. De financiële systemen moeten in orde komen en de overheden moeten orde scheppen in hun begrotingen. Daarnaast zal er economische groei nodig zijn om onze welstand weer op te bouwen. Niet de diensten of de overheid moeten groeien, maar wel de producerende bedrijven. De landbouw en het hele agrovoedingscomplex zullen daarin een belangrijke rol moeten spelen. Ondernemingszin stimuleren betekent dat je in alle maatregelen de impact meet op het ondernemerschap. Dat gaat over administratieve vereenvoudiging, over rechtszekerheid. Ons land mag ook niet vooruitlopen op sommige ontwikkelingen en zo het gelijke speelveld voor een stuk wegnemen.”
– De Landelijke Beweging pleit inderdaad ook voor het wegwerken van concurrentievervalsing. Waarover gaat het precies?
“We zien activiteiten verhuizen naar Duitsland, omdat daar geen minimumlonen bestaan. Daar werken vooral Oost-Europese arbeiders, voor lonen van 5 euro per uur. Hier ligt de loonkost voor seizoen- en gelegenheidswerk rond de 9 euro. Vooral bedrijven die instaan voor de eerste verwerking van land- en tuinbouwproducten ondervinden daar nadeel van. We bewaken dat met de sociale partners in de Groep van Tien wat België betreft, maar we moeten ook binnen Europa zorgen dat er een gelijk speelveld is.”
– Rechtszekerheid is een andere belangrijke verwachting. Hoe zou de overheid dat concreet kunnen maken?
“De overheid moet een betrouwbaar en duurzaam beleid voeren. Een ondernemer die investeert op langere termijn moet enige zekerheid hebben over het gevoerde beleid. Afspraken moeten ook uitgevoerd worden. Eind 2006 werd in het centraal akkoord een hoofdstuk ingelast dat voorzag in een tewerkstellingsondersteuning voor de champignonteelt. Toen ik toekwam op de Boerenbond, was dat nog altijd niet uitgevoerd. De overheid moet ook een duidelijk handhavingsbeleid hebben. Wanneer een ondernemer zich inspant om aan de voorwaarden te voldoen, mag er achteraf geen onduidelijkheid over bestaan.”
– Vooral in de tuinbouw was men zwaar ontgoocheld dat de vereenvoudiging rond het inschakelen van tijdelijke werknemers niet voltooid kon worden. Wat verwacht de sector precies?
“De sociale partners tekenden daar in juni 2007 een sociaal akkoord over, dat ook bekrachtigd werd door de Nationale Arbeidsraad. De uitvoering bleef geblokkeerd op de kabinetten van de ministers Onkelinx en Milquet. De sociale partners hebben dat akkoord opnieuw bevestigd in juli 2009. We moesten verschrikkelijk lang onderhandelen met die kabinetten om daar beweging in te krijgen. Uiteindelijk ben ik zelf naar premier Leterme gestapt. Ik vertelde hem dat het om een centraal akkoord gaat om de administratie te vereenvoudigen en dat onze mensen daarop zitten te wachten. Toen heeft men erin toegestemd om dat uit te voeren. De wetswijzigingen die daarvoor nodig waren, zijn stilgevallen door de val van de regering. We zullen dit probleem opnieuw op tafel moeten leggen, maar we verliezen minstens een seizoen.”
– Dit memorandum mocht niet zwijgen over de staatshervorming. Welke aan landbouw gerelateerde bevoegdheid zou men het dringendst moeten regionaliseren?
“De staatshervorming is geen doel op zich. Dat is een middel om te komen tot een zo goed mogelijk bestuur, tot efficiënte en homogene bevoegdheidspakketten. Sommige punten liggen al enkele jaren op tafel. Het beleid rond landbouwrampen en het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (BIRB) zijn daar voorbeelden van. Het BIRB speelt een belangrijke rol voor onze voedingsindustrie. De voorbije jaren vroegen we al enkele keren om de wetgeving op landbouwrampen toe te passen, onder meer voor blauwtong en voor vorstschade in Noord-Limburg, maar men heeft dat niet gedaan. Wij willen de regionalisering van die wetgeving aangrijpen om de globale discussie te voeren over risicobeheer. De inbreng van de overheid daarin is dat zij verantwoordelijkheid moet nemen bij natuurrampen. Maar er is ook risicobeheer op andere vlakken. Die discussie kadert in de toekomst van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB).”
– Op een bepaald moment was er ook sprake van het regionaliseren van de pachtwet?
“De pachtwetgeving stond op het lijstje van Jean-Luc Dehaene toen hij de zogenaamde borrelnootjes op tafel legde. We moeten streven naar een win-winsituatie voor pachters en eigenaars. Eigenaars moeten op verschillende manieren gestimuleerd worden om voor lange periodes te verpachten aan boeren. Dat kunnen fiscale stimuli zijn, zoals vrijstelling van successierechten. Ook de werking van de onteigeningscommissies staat op ons lijstje. Bij grote projecten zoals het Sigmaplan sluiten de onteigeningen en het flankerende beleid niet vlot op elkaar aan. We moeten de regionalisering gebruiken om dat beter op elkaar af te stemmen.”
– De Landelijke Beweging stelt voor om het gezondheidsbeleid te regionaliseren. Toch wil men de inning van de bijdragen federaal houden. Waarin zit dan de winst voor de gemeenschappen?
“Vlaanderen legt de nadruk op de eerstelijnsgezondheidszorg, waarin huisartsen en mantelzorg belangrijk zijn. In Wallonië is dat fundamenteel anders; de ziekenhuizen – de tweede lijn – spelen er een belangrijkere rol dan de huisartsen. Maar wij willen niet dat de solidariteit in het gedrang komt. Je kan de bijdragen federaal blijven innen en de regio’s hun eigen beleid laten voeren, met eigen enveloppen. Hetzelfde principe geldt trouwens voor de arbeidsmarkt.”
– Bij de verdere harmonisering van het sociaal statuut van zelfstandigen en werknemers moet men de pensioenen optrekken. Kan dit wel zonder de bijdragen te verhogen?
“De uittredende regering heeft veel gedaan voor het pensioenstelsel. Er was al een inspanning, maar er is nog steeds een kloof van 40 euro tussen het minimumpensioen van de zelfstandigen en dat van de loontrekkenden. Voor ons is de solidariteit binnen het systeem belangrijk. Wij zeggen dat de bijdrage voor de laagste inkomensgroepen niet mag stijgen. Uiteindelijk moet de globale financiering van het sociaal statuut in evenwicht zijn. De overheid draagt in verhouding meer bij aan het sociaal systeem van de werknemers dan aan dat van de zelfstandigen. Binnen het sociaal statuut kan men ook ondernemingszin bevorderen, door bijdragen afhankelijk te maken van het ondernemingsrisico, van het innovatieve karakter van ondernemingen. Dat bestaat bijvoorbeeld voor bepaalde innovatieve activiteiten in de farmaceutische industrie.
Het statuut van de meewerkende echtgenote blijft een aandachtspunt. Minister Laruelle deed heel wat inspanningen om dat statuut te verbeteren. Er is nu een bijkomende bijdrage, maar de bijkomende rechten zijn vandaag nog niet proportioneel.”
– Ziet u rond de toekomst van het GLB zaken die op de federale agenda moeten komen?
“We staan voor de discussie over de toekomst van het GLB. Landbouw is een regionale bevoegdheid, maar de federale minister van Landbouw moet het Belgische consensusstandpunt verdedigen in de landbouwraad. België moet pleiten voor een sterk GLB na 2013. We pleiten voor een geleidelijke evolutie, geen revolutie. Ook dat is een vorm van rechtszekerheid. De boeren hebben geïnvesteerd op basis van de huidige regeling.
We willen dat er voldoende budget is voor een volwaardig GLB, dat een volwaardig inkomen garandeert aan de boer. Tegelijk moeten we aan de consument voldoende en kwalitatief voedsel kunnen aanbieden aan een redelijke prijs. Er moet ook een duidelijk kader zijn waarbinnen de landbouw kan voldoen aan de gestelde maatschappelijke randvoorwaarden.”
– Je kan de verdere evolutie van het GLB toch niet los zien van het verdere verloop van de WTO-onderhandelingen?
“De WTO is voor ons een zeer grote bezorgdheid. We vragen echt aan onze regering om voet bij stuk te houden en Europa geen ruimer mandaat te geven dan het vandaag heeft. We vragen dat de non-trade concerns – de verschillen tussen Europa en de rest van de wereld op het vlak van dierenwelzijn, voedselveiligheid en milieunormen – op tafel komen. Er moet een gelijk speelveld gecreëerd worden. De WTO moet voldoende bescherming creëren om ons toe te laten het GLB rustig uit te voeren.”
– Onze bestuursleden die gemeentelijke mandaten opnamen, willen niet dat de federale overheid nog meer kosten afwentelt op de gemeenten. Wat is precies het probleem?
“Ze vrezen dat men hetzelfde zal doen als met de politiehervorming. Daar heeft men de factuur doorgeschoven naar de lokale overheden. Landelijke gemeenten zijn relatief kleinschalig, in vergelijking met steden en stedelijke agglomeraties. Men moet er rekening mee houden dat hun draagkracht niet dezelfde is. Dat gebeurde niet bij de politiehervorming. Voor het op punt zetten van het verzamelen en zuiveren van afvalwater moeten er de komende jaren zware investeringen gebeuren. Wij vragen dat men een oplossing zoekt om de 21% btw die bij infrastructuurwerken van de gemeenten naar de federale overheid vloeit, in de gemeenten te houden. Zo kunnen de financiële middelen optimaal aangewend worden.”
– Ook voor het VLIF vraagt u bestendiging van de belastingvrijstelling?
“We verkregen van de uittredende regering enkele maatregelen die belangrijk zijn voor de landbouw. Wat we niet gehaald hebben, is de verlaging van de btw voor mestverwerking en de carry-back en carry-forward – grote winsten of verliezen voor de belasting kunnen spreiden over meerdere jaren. We hebben inderdaad verkregen dat we op de investeringssteun die we van de Vlaamse overheid ontvangen geen belasting hoeven te betalen aan de federale overheid. Ook de belasting op de bedrijfstoeslagrechten is verminderd, maar die maatregelen zijn tijdelijk. Wij vragen om die in stand te houden. Het is toch een normaal principe dat je geen belastingen betaalt aan de federale regering op steun die je van de Vlaamse overheid kreeg.”
– Welke acties worden nog voorzien met het memorandum?
“We hebben ons memorandum bezorgd aan verschillende partijen, met het oog op de uitwerking van hun programma’s. We moeten eerst bekijken wat de uitslag is van de verkiezingen, maar we zullen de partijen die toetreden tot de nieuwe regering er zeker mee aanspreken. We rekenen er natuurlijk op dat de CD&V, onze natuurlijke politieke partner, erbij zal zijn en we hopen uiteraard dat we onze verwachtingen weerspiegeld zien in een goed regeerakkoord.
We hebben politici nodig die in staat zijn om een beetje boven het eigen belang uit te stijgen. Ze moeten bereid zijn om een degelijk Belgisch compromis te maken over de staatshervorming en over hoe men in de komende jaren de absoluut noodzakelijke sanering van de overheidsfinanciën zal bereiken. Daarvoor is een afslanking van het overheidsapparaat noodzakelijk, maar ook een goede samenwerking tussen de gewesten en de federale overheid.
– Patrick Dieleman
Je kan het politiek memorandum vinden op www.boerenbond.be
|