|
|
|
Home >
Boer@Tuinder > Artikel van de week B&T
|
|
|
|
|
|
|
Knelpunten bij nieuwe VLIF-aanvragen - donderdag 24 november 2011
|
|
|
|
| |
 |
Voor de VLIF-dossiers die sinds 6 september vorig jaar ingediend werden, zijn nieuwe voorwaarden van kracht. Onze leden en consulenten stellen zich bij de toepassing van deze nieuwe regels niet alleen een aantal vragen, maar ze botsen ook op enkele knelpunten.
Bij de opmaak van het nieuwe besluit konden weinigen voorspellen dat de varkenscrisis zou blijven aanhouden, dat er een EHEC-crisis en andere ravages op ons af zouden komen en dat de volatiliteit van de inkomens zo groot zou zijn. Daarom vragen wij aan minister-president Peeters dat men hiermee rekening zou houden bij de beoordeling van de dossiers, naast een specifieke benadering voor de meewerkende echtgenote.
Een stukje historiek
Begin vorig jaar kondigde minister-president Peeters een wijziging aan van de VLIF-reglementering. Wij hebben deze voorstellen grondig besproken in onze vakgroepen en in de intervakgroep en hebben verschillende aanpassingen gevraagd. Op 23 december 2010 werd het voorstel dan door de Vlaamse regering goedgekeurd en werd een en ander verder geconcretiseerd in een ministerieel besluit van 18 juli 2011. Concreet ging de nieuwe regeling in voor dossiers die nieuw ingediend werden na 6 september 2010.
Bij de besprekingen in de loop van vorig jaar kon de Boerenbond zich principieel vinden in de voorstellen en de achterliggende doelstellingen.
• Vereenvoudigen van de regelgeving en de procedures om te komen tot een meer transparante toepassing en een verkorting van de doorlooptijd van de dossiers. Naast puur administratieve vereenvoudigingen ging hier ook een duidelijke afbakening van de doelgroep mee gepaard.
• Het verhogen van de vestigingssteun tot 70.000 euro voor jongeren (met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2010).
• Verdere vervennootschappelijking faciliteren, met het oog op een vlottere generatiewissel.
Doelgroep en inkomensvoorwaarde
Het was de bedoeling van de overheid om de doelgroep voor het VLIF duidelijker te omschrijven, en zelfs te beperken. Hiertoe heeft men de definitie van land- en tuinbouwer gewijzigd. In het verleden moest men 35% van zijn inkomen en 50% van zijn tijd uit land- of tuinbouwactiviteiten halen om te voldoen aan de definitie. Deze berekening was niet eenvoudig en voor interpretatie vatbaar. De voorwaarde van 50% tijdsbesteding werd nu geschrapt en vervangen door te stellen dat landbouw de voornaamste activiteit moet zijn. Voor de bepaling van de minimale beroepsinkomsten werkt men niet langer met relatieve cijfers maar met een absolute grens van 12.000 euro die minimaal uit de landbouwactiviteit moet gehaald worden.
Samen met de overheid was de Boerenbond vragende partij om een duidelijke afbakening van de doelgroep te bekomen. In het congres dat de Boerenbond in 2006 hield, stelden we immers dat het VLIF maximaal gevrijwaard moest blijven voor de professionele land- of tuinbouwers. Zo waren wij mede voorstander van de uitsluiting van hen die een pensioen genoten. Met de voorwaarde van de 12.000 euro waren wij minder gelukkig. Daarnaast blijkt nu dat men het fiscale nettobelastbaar inkomen hanteert als maatstaf voor de bepaling van het beroepsinkomen, hetgeen volgens ons niet correct is. Hier kom ik verder op terug.
Een tweede belangrijke afbakening van de doelgroep gebeurt door middel van de uitsluiting van die personen die meer dan 12.000 euro beroepsinkomen halen uit andere beroepsactiviteiten en van hen die een ouderdomspensioen genieten. Met ‘andere beroepsactiviteiten’ wordt evenwel niet bedoeld hoevetoerisme, thuisverkoop, de productie van hernieuwbare energie voor eigen gebruik of groene zorg. Inkomsten uit politieke of andere mandaten en huurinkomsten worden niet beschouwd als beroepsinkomen.
De vroegere voorwaarde voor levensvatbaarheid werd afgeschaft. Die levensvatbaarheid moesten de land- en tuinbouwers aantonen door middel van een bedrijfseconomische analyse, waaruit moest blijken dat ze na de investering beschikten over een arbeidsinkomen per VAK (Volwaardige Arbeidskracht) dat hoger lag dan het referentie-inkomen (rond de 25.700 euro). Dit criterium wordt nu vervangen door een voorwaarde tot minimale bedrijfsomvang, hetgeen er op neerkomt dat de land- of tuinbouwer een brutobedrijfsresultaat moet halen op het moment van de aanvraag. Dit brutobedrijfsresultaat is een weerspiegeling van het potentieel van het bedrijf. Daarnaast werkt men niet langer met de parameter van VAK, wat ook een belangrijke vereenvoudiging is.
Afsplitsen van niet-landbouwactiviteiten
Zowel voor natuurlijke personen als voor handelsvennootschappen geldt nu de regel dat niet-landbouwactiviteiten, zoals transport, slachterij, houthandel, loonwerk, handel in vee of landbouwproducten, juridisch afgesplitst moeten worden. Het beroepsinkomen uit deze afgesplitste activiteiten mag dan netto niet meer bedragen dan 12.000 euro. Niet-beroepsinkomsten – zoals dividenden – tellen niet mee voor de berekening van deze 12.000 euro. Dit verplichte afsplitsen van niet-landbouwactiviteiten zal, mede op onze vraag, met enige soepelheid benaderd worden. Occasioneel een dienst verlenen, wordt getolereerd maar de activiteit mag niet op een georganiseerde wijze beoefend worden. Voor siertelers, bijvoorbeeld, die op niet-systematische wijze planten bijkopen om hun eigen partij beter te commercialiseren, stelt zich in eerste instantie geen probleem. Indien zij zich echter profileren als handelaar (‘uitoefening van significante handelsactiviteiten’) moeten ze deze activiteit afsplitsen. Voor de betrokkenen is dit onderscheid echter niet steeds duidelijk. Daarom vragen wij aan de administratie meer concrete criteria.
Knelpunten
Zoals reeds hoger gesteld, hebben wij al in 2010 de overheid gewaarschuwd voor een aantal mogelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving die zich vooral situeren op het vlak van de inkomensvoorwaarde.
In de loop van vorig jaar al hebben wij bij overleg op het kabinet Landbouw gewezen op mogelijke problemen van sectoren in crisis. Daarom stelden we zelf voor om deze voorwaarde af te zwakken tot een positief inkomen uit landbouw (groter dan 0). Het kabinet is daar toen evenwel niet op ingegaan. Ook bij het bezoek van een delegatie van de sectorvakgroep Varkens, zo’n drie weken geleden, wilde men niet van deze ondergrens afstappen, onder andere vanuit de argumentatie dat Europa verbiedt om steun te geven aan bedrijven in moeilijkheden. Daarnaast wil het beleid vermijden dat land- of tuinbouwers met een erg laag inkomen nog bijkomende investeringen doen die het inkomen nog verder onder druk zetten. Om evenwel tegemoet te komen aan onze bezorgdheid van steeds groter wordende inkomensschommelingen heeft het kabinet aangegeven dat de inkomensvoorwaarde steeds geldt op het moment van indiening van een nieuw dossier, maar dat het geen voorwaarde is die verder elk jaar moet nagekomen worden. Om de inkomensvoorwaarde te bewijzen heeft men 2 jaar de tijd. Daarnaast heeft het kabinet naar aanleiding van ons onderhoud aangegeven dat – in tegenstelling tot eerdere berichten – jonge starters niet moeten wachten op hun eerste fiscale aanslag vooraleer ze steun krijgen. De eerste schijf zal immers toegekend worden op basis van een inkomensprognose. Ook heeft het kabinet toegegeven dat niet-belastbare inkomsten, zoals de huidige vrijgestelde VLIF-steun, mag meegenomen worden in de inkomensvoorwaarde.
Wat het hanteren van het nettobelastbaar inkomen betreft als maatstaf voor de bepaling van het beroepsinkomen blijven we evenwel met een probleem zitten. Deze maatstaf is immers niet correct voor forfaitairen. Het barema is immers een gemiddelde. Daarnaast wordt bij de berekening van het nettobelastbaar inkomen de fiscale toewijzing aan de meewerkende echtgenote afgetrokken en wordt ze dus beschouwd als een kostenpost, zoals kosten voor veearts, pacht, loonwerk, sterfte en intresten. In het kader van de valorisatie van de meewerkende echtgenote is dit volgens ons een rare gedachtegang. Deze toewijzing aan de meewerkende echtgenote is immers een pure fiscale optimalisatie en is in oorsprong een inkomst voor het bedrijf, en geen kost!
Wij vragen dan ook aan minister-president Peeters om oplossingen te zoeken voor de aangehaalde knelpunten, die deels een gevolg zijn van de aanslepende crisis in combinatie met administratieve regels. En wij denken dat er oplossingen mogelijk zijn zonder te raken aan de terechte principes van de wijzigingen van het besluit.
Georges Van Keerberghen, Hoofdbestuur
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
NIEUW: Lees je vakbladen nu al online
|
Je kan je ledenblad
Boer&Tuinder en je vakblad
Management&Techniek nu ook online lezen. En dit zelfs een dag vroeger dan hij normaal in je brievenbus valt. Dit is een exclusief voordeel voor onze leden.
Lees meer
|
|